Opwarmingsscenario’s van het IPCC

Uit Klimaatwiki

In een zin

Het IPCC gebruikt scenario's zoals Representatieve Concentratiepaden (RCP's) en Shared Socioeconomic Pathways (SSP's) om toekomstige klimaatverandering en de gevolgen daarvan te voorspellen, waarbij RCP's verschillende emissieniveaus beschrijven en SSP's zich richten op sociaaleconomische factoren om de interactie tussen klimaatverandering en deze factoren te analyseren.

Eenvoudig uitgelegd

Het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) gebruikt scenario's om toekomstige klimaatverandering en de gevolgen daarvan te voorspellen. Deze scenario's, die Representatieve Concentratiepaden (RCP's) worden genoemd, beschrijven verschillende emissieniveaus voor broeikasgassen.

  • RCP2.6 is het meest optimistisch en gaat uit van sterke emissiereducties die leiden tot een lage temperatuurstijging.
  • RCP4.5 en RCP6.0 zijn tussenliggende scenario's met matige emissiereducties.
  • RCP8.5 is het slechtst denkbare scenario, met hoge emissies die leiden tot een aanzienlijke opwarming en ernstige gevolgen.

Deze scenario's helpen wetenschappers en beleidsmakers om mogelijke toekomsten te begrijpen en plannen te maken voor klimaatadaptatie en -mitigatie.

Shared Socioeconomic Pathways (SSP's) zijn scenario's die verschillende manieren beschrijven waarop de wereld zich zou kunnen ontwikkelen als er geen klimaatbeleid wordt gevoerd, waarbij de nadruk ligt op sociaaleconomische factoren zoals bevolkingsgroei, economische ontwikkeling en technologische vooruitgang.

  • Ze worden gebruikt naast Representatieve Concentratiepaden (RCP's) om de terugkoppelingen tussen klimaatverandering en deze factoren te analyseren.
  • SSP's helpen wetenschappers om te onderzoeken hoe verschillende sociaaleconomische ontwikkelingen de uitstoot van broeikasgassen kunnen beïnvloeden en of het haalbaar is om klimaatdoelstellingen te halen. Ze worden gebruikt in klimaatmodellen zoals CMIP6 om het zesde evaluatierapport van het IPCC te onderbouwen.

Opwarmingsscenario’s van het IPCC

Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) is een intergouvernementeel orgaan van de Verenigde Naties.[1] Haar taak is het bevorderen van wetenschappelijke kennis over klimaatverandering veroorzaakt door menselijke activiteiten. De Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) en het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) hebben het IPCC in 1988 opgericht. De Verenigde Naties bekrachtigden de oprichting van het IPCC later dat jaar. Het heeft een secretariaat in Genève, Zwitserland, dat wordt gehost door de WMO.

Het IPCC wordt bestuurd door 195 lidstaten en spreekt dus namens alle VN lidstaten. De lidstaten kiezen een bureau van wetenschappers voor een beoordelingscyclus. Een cyclus duurt meestal zes tot zeven jaar. Het bureau selecteert experts op hun vakgebied om de rapporten van het IPCC voor te bereiden. Er is een formeel nominatieproces door regeringen en waarnemende organisaties om deze experts te vinden. Het IPCC heeft drie werkgroepen en een taakgroep die het wetenschappelijk werk uitvoeren.

Een lijst van alle IPCC rapporten vind je op de site van het IPCC.[2] Het laatste synthese rapport, AR6, verscheen in 2023. Zie de Summary for Policymakers.[3]

Bronnen:

Werkwijze

Bij het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zijn duizenden wetenschappers en experts betrokken die op vrijwillige basis bijdragen aan de rapporten. Bij de bijdrage van werkgroep II aan het zesde evaluatierapport (AR6) waren bijvoorbeeld 270 experts uit 67 landen betrokken, waarvan 57% afkomstig was uit ontwikkelingslanden en landen met een overgangseconomie.[1]

270 auteurs uit 67 landen beoordeelden de effecten van klimaatverandering op ecosystemen en menselijke gemeenschappen op mondiaal en regionaal niveau, hun kwetsbaarheid, aanpassingsmogelijkheden en beperkingen en opties voor het bereiken van klimaatbestendige ontwikkeling.[1]

Deze medewerkers hebben verschillende achtergronden, waaronder de academische wereld, onderzoeksinstellingen, industrie, overheid en niet-gouvernementele organisaties (NGO's). Ze beoordelen en synthetiseren peer-reviewed wetenschappelijke literatuur om uitgebreide beoordelingen te geven van klimaatverandering, de gevolgen ervan en mogelijke maatregelen. Het IPCC doet geen eigen onderzoek, maar vertrouwt op de collectieve expertise van deze vrijwilligers om ervoor te zorgen dat zijn rapporten objectief en volledig zijn.

Voor specifieke rapporten kan het aantal betrokken wetenschappers variëren. Bij het zesde evaluatierapport waren bijvoorbeeld 234 wetenschappers betrokken die meer dan 14.000 onderzoekspapers bekeken om hun bevindingen samen te stellen. Dit benadrukt de uitgebreide samenwerking en expertise die komt kijken bij het produceren van IPCC-rapporten.

Zorgvuldigheid en betrouwbaarheid

Iedereen die dat wil kan een indruk krijgen van de zorgvuldigheid en betrouwbaarheid van het werk van het IPCC in het artikel Implementing FAIR data principles in the IPCC seventh assessment cycle: Lessons learned and future prospects.[2]

Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) komt elke vijf tot zeven jaar bij elkaar om te praten over wat we weten over klimaatverandering. Vervolgens vertellen ze politici wat ze hebben geleerd. Dit gebeurt meestal in de vorm van Assessment Reports (AR's). Deze rapporten gaan over de wetenschappelijke basis van klimaatverandering, de gevolgen en toekomstige risico's en opties voor aanpassing aan en vermindering van klimaatverandering. Deze rapporten zijn in de loop der tijd steeds langer en gedetailleerder geworden en bevatten steeds meer referenties en gegevens.

Tijdens de zesde beoordelingscyclus werd een grootschalige collectieve inspanning geleverd voor het archiveren van digitale producten die werden beoordeeld en gegenereerd tijdens het IPCC-proces. De belangrijkste redenen hiervoor waren om het werk van het IPCC transparanter te maken, de resultaten steeds opnieuw te kunnen gebruiken, beter gebruik te maken van de diensten van het IPCC Data Distribution Centre (DDC) en in het algemeen de beste manieren van open wetenschap te volgen.

In dit artikel[2] wordt nader uitgelegd waarom het belangrijk is om zorg te dragen voor digitale objecten in het IPCC. Er wordt uitgelegd hoe de FAIR (Findable, Accessible, Interoperable, Reusable) en open data principes zijn gebruikt en er wordt gekeken naar de goede en slechte kanten van de AR6 ervaring. Het eindigt met een aantal suggesties voor hoe de aanpak voor AR7 sterker en groter kan worden gemaakt.

Deze omvatten:

  • het beter integreren van het beheer, de organisatie, opslag en toegankelijk maken van de digitale gegevens en software van de IPCC-beoordelingsrapporten;
  • het bieden van betere ondersteuning aan IPCC-auteurs en -bijdragers door vroegtijdige training en het gebruik van geschikte software;
  • het verbeteren van de standaardisatie en harmonisatie van data- en softwareverwerking in werkgroepen (WG's); en
  • het nauw samenwerken met belangrijke externe dataleveranciers en onderzoeksorganisaties.

    Bronnen:

IPCC scenario’s

Voor een uitleg van de IPCC rapporten voor niet-experts kun je terecht op de site IPCC in mensentaal.[1]

De volgende beschrijving van de verschillende toekomstverwachtingen voor de opwarming in de rest van deze eeuw komt uit het boek van Tim Lenton (2016, 95-97).[2] De getallen zijn geactualiseerd.

Momenteel bedraagt de CO2-uitstoot door fossiele brandstoffen en verandering van landgebruik bijna 42 Gigaton per jaar.[3]

iteUitstoot van CO2 door fossiele brandstoffen en verandering van landgebruik. Bron: Our World in Data.[4] Creative Commons License BY 4.0

De uitstoot groeide de afgelopen dertig jaar gemiddeld met ongeveer 2% per jaar, maar de laatste tien jaar met bijna 3% per jaar, ondanks de wereldwijde recessie. Als de groeipercentages van 2-3 procent per jaar aanhouden, zal dit de uitstoot binnen nog eens 25-35 jaar (halverwege deze eeuw) verdubbelen.

Een dergelijke exponentiële groei levert echter ongeloofwaardig hoge cijfers op als we deze extrapoleren naar het einde van de eeuw. Uiteindelijk zal de groei worden beperkt doordat fossiele brandstoffen een eindige bron zijn. Niettemin voorspellen business-as-usual scenario's een drievoudige toename van de CO2-uitstoot tegen het einde van deze eeuw. Modellen voor het aardsysteem voorspellen dat dit de atmosferische CO2-concentratie zou doen stijgen tot boven de 1000 ppm. N.B. het pre-industriële niveau was 280 ppm.

Het wordt een heel ander verhaal als we collectief en resoluut handelen om de stijgende trend van CO2-uitstoot te stoppen en vervolgens te verminderen - een 'sterk mitigatie'-scenario. Dergelijke scenario's worden opgesteld om te illustreren wat er gewonnen kan worden door resoluut actie te ondernemen om klimaatverandering aan te pakken en hebben vaak een doel achter zich, zoals het beperken van de opwarming van de aarde tot minder dan 2 °C.

Helaas worden ze vaak snel achterhaald, omdat de werkelijke uitstoot exponentieel is gestegen. Daarentegen laten sterke mitigatiescenario's zien dat de wereldwijde uitstoot halverwege deze eeuw tot minder dan de helft van het huidige niveau kan zijn gedaald en daarna verder afneemt tot nul.

Een belangrijke boodschap van de aardsysteemmodellen is dat de CO2-uitstoot uiteindelijk tot nul moet worden gereduceerd om de stijging van de CO2-concentratie in de atmosfeer een halt toe te roepen. Op de korte termijn kan de CO2-concentratie in de atmosfeer worden gestabiliseerd door de uitstoot te verminderen tot een niveau dat overeenkomt met de flux van CO2 naar de diepe oceaan, ongeveer 10% van de huidige uitstoot. Dit zou de atmosferische CO2-concentratie kunnen stabiliseren op ongeveer 560 ppm (twee keer het pre-industriële niveau) of iets hoger.

De meest optimistische scenario's streven echter naar een stabilisatie van de atmosferische CO2-concentratie rond 450 ppm over een eeuw. Gezien de recente groei van de CO2-uitstoot vereisen deze scenario's waarin de opwarming van de aarde beperkt blijft tot 2 °C, dat samenlevingen tegen het einde van deze eeuw opzettelijk CO2 uit de atmosfeer verwijderen.

Tussen deze twee uitersten (1000 en 450 ppm) ligt een reeks sociaaleconomische scenario's met verschillende aannames over de groei van de vraag naar energie of de inspanningen om de CO2-uitstoot te beperken. Deze weerspiegelen verschillende narratieven zoals voortdurende globalisering of een meer politiek gefragmenteerde wereld.

De uiteindelijke beperking voor CO2-uitstoot is de hoeveelheid fossiele brandstof die in de grond zit. Die is echter groot — minstens 5.000 miljard ton koolstof — en de schattingen zijn de laatste tijd hoger geworden, omdat de winningsmethoden zijn verbeterd. Als de prijs van fossiele brandstoffen stijgt, neemt de omvang van de reserves toe waarvan het rendabel wordt om ze te winnen. Maar dat geldt ook voor de stimulans om over te schakelen op andere, goedkopere energiebronnen.

Sommige scenario's gaan verder dan een eeuw en worden beperkt door een schatting van de totale voorraad fossiele brandstoffen, waardoor ze een goede indicatie geven van de mate waarin we het klimaat op de lange termijn zouden kunnen veranderen. Deze kunnen het best worden gezien als 'gedachte-experimenten'.

Bronnen:

Wat zijn RCP's?

Representative Concentration Pathways (RCP) zijn scenario's voor klimaatverandering om toekomstige concentraties van broeikasgassen te voorspellen. Deze paden (of trajecten) beschrijven toekomstige broeikasgasconcentraties (geen emissies) en zijn formeel goedgekeurd door het IPCC. De trajecten beschrijven verschillende scenario's voor klimaatverandering, die allemaal mogelijk werden geacht afhankelijk van de hoeveelheid broeikasgassen die de komende jaren worden uitgestoten. (Zie voor een meer uitgebreide bespreking van de RCP’s The Beginner's Guide to Representative Concentration Pathways op de website van Skeptical Science.[1])

De vier RCP’s - oorspronkelijk RCP2.6, RCP4.5, RCP6 en RCP8.5 - zijn gelabeld naar de verwachte veranderingen in stralingsforcering van het jaar 1750 tot het jaar 2100 (respectievelijk 2,6, 4,5, 6 en 8,5 W/m2). Het begrip stralingsforcering wordt in de klimaatwetenschap gebruikt om het verschil uit te drukken tussen de invallende energie van de zon en de energie die door de aarde wordt uitgezonden naar de ruimte in de vorm van gereflecteerde straling en warmtestraling (nl.wikipedia.org). Hogere waarden betekenen een hogere uitstoot van broeikasgassen en dus hogere temperaturen aan het aardoppervlak en meer uitgesproken effecten van klimaatverandering. De lagere RCP-waarden zijn wenselijker voor de mens, maar vereisen grotere inspanningen om de klimaatverandering tegen te gaan.

In het Zesde Assessment Report (AR6) van het IPCC[2] worden de oorspronkelijke paden nu samen met de gedeelde sociaaleconomische paden (Shared Socioeconomic Pathways, SSP’s) bekeken. Er zijn drie nieuwe RCP's, namelijk RCP1.9, RCP3.4 en RCP7. Hieronder volgt een korte beschrijving van de RCP's:

  • RCP1.9 is een pad dat de opwarming van de aarde beperkt tot minder dan 1,5 °C, het ambitieuze doel van het Akkoord van Parijs.
  • RCP2.6 is een zeer streng pad.
  • RCP3.4 vertegenwoordigt een tussenweg tussen de zeer strenge RCP2.6 en de minder strenge mitigatie-inspanningen van RCP4.5.
  • RCP4.5 wordt door het IPCC beschreven als een gemiddeld scenario.
  • In RCP6 piekt de uitstoot rond 2080, waarna deze afneemt.
  • RCP7 is eerder een basisresultaat dan een mitigatiedoel.
  • In RCP8.5 blijven de emissies gedurende de hele 21e eeuw stijgen.

Voor het uitgebreide RCP2.6 scenario wordt een opwarming van de aarde van 0,0 tot 1,2 °C voorspeld voor het eind van de 23e eeuw (gemiddelde van 2281-2300), ten opzichte van 1986-2005. Voor het uitgebreide RCP8.5 wordt een opwarming van de aarde van 3,0 tot 12,6 °C voorspeld over dezelfde periode.

Er zijn periodiek nieuwe reeksen scenario's voor onderzoek naar klimaatverandering nodig om rekening te houden met wetenschappelijke ontwikkelingen in het begrijpen van het klimaatsysteem en om nieuwe gegevens mee te nemen over recente historische emissies, beperking van klimaatverandering en gevolgen, aanpassing en kwetsbaarheid.

Bronnen:

Wat zijn SSP’s?

Gedeelde sociaaleconomische paden (SSP's) zijn scenario's van verwachte wereldwijde economische, demografische en sociale veranderingen tot 2100, zoals gedefinieerd in het zesde IPCC-beoordelingsrapport over klimaatverandering in 2021.[1] Ze worden tevens gebruikt om in beeld te brengen hoe de wereld zich mogelijk ontwikkelt bij afwezigheid van klimaatbeleid en met welke maatregelen verschillende RCP’s bereikt kunnen worden.[2]

De SSP's zijn gebaseerd op alternatieve sociaal-economische ontwikkelingen. Deze verhaallijnen zijn kwalitatieve beschrijvingen van de logica die elementen van de verhaallijnen met elkaar verbindt. In termen van kwantitatieve elementen geven ze gegevens bij de scenario's over de nationale bevolking, verstedelijking en het BBP (per hoofd van de bevolking). De SSP's kunnen worden gekwantificeerd met verschillende Integrated Assessment Models (IAM's) om mogelijke toekomstige routes te verkennen, zowel wat betreft sociaaleconomische als klimaatroutes.

SSP narratieven

De SSP's zijn gebaseerd op vijf mogelijke toekomstscenario's. Deze beschrijven brede trends in de economie en maatschappij die de toekomst zouden kunnen bepalen.

Dit zijn: een wereld van op duurzaamheid gerichte groei en gelijkheid (SSP1); een “middle of the road” wereld waarin men doorgaat op de ingeslagen weg (SSP2); een gefragmenteerde wereld van “herlevend nationalisme” (SSP3); een wereld van steeds toenemende ongelijkheid (SSP4); en een wereld van snelle en onbeperkte groei in economische output en energieverbruik (SSP5).

Wereldwijde CO2-emissies (GtCO2) uitgesplitst per SSP. Bron: Carbon Brief.[2] Creative Commons License BY-NC-ND 4.0

SSP1. Duurzaamheid - “Taking the Green Road” (Minimale uitdagingen voor mitigatie en aanpassing)

De wereld verschuift geleidelijk, maar volledig, naar een duurzamere weg, met de nadruk op een meer inclusieve ontwikkeling die de ecologische grenzen respecteert. Wereldwijd worden gemeenschappen beter beheerd, investeringen in onderwijs en gezondheidszorg versnellen de demografische transitie en de nadruk op economische groei verschuift naar een bredere nadruk op menselijk welzijn. Gedreven door een toenemende inzet om ontwikkelingsdoelen te bereiken wordt de ongelijkheid tussen en binnen landen verminderd. Consumptie is gericht op lage materiële groei en lagere grondstof- en energie-intensiteit.

SSP2. “Middle of the Road” (Middelgrote uitdagingen voor mitigatie en adaptatie)

De wereld volgt een pad waarin sociale, economische en technologische trends niet duidelijk afwijken van het verleden. Ontwikkeling en inkomensgroei verlopen ongelijkmatig, waarbij sommige landen relatief goede vooruitgang boeken terwijl andere achterblijven bij de verwachtingen. Wereldwijde en nationale instellingen werken aan het bereiken van duurzame ontwikkelingsdoelen, maar boeken slechts geringe vooruitgang. Milieusystemen gaan achteruit, hoewel er enkele verbeteringen zijn en over het algemeen de intensiteit van het gebruik van hulpbronnen en energie afneemt. De wereldwijde bevolkingsgroei is gematigd en vlakt af in de tweede helft van de eeuw. Inkomensongelijkheid blijft bestaan of verbetert slechts langzaam en er blijven uitdagingen om de kwetsbaarheid voor maatschappelijke en milieuveranderingen te verminderen.

SSP3. Regionale rivaliteit — “A Rocky Road” (Hoge uitdagingen voor mitigatie en adaptatie)

Een herlevend nationalisme, zorgen over concurrentievermogen en veiligheid en regionale conflicten dwingen landen om zich steeds meer te richten op binnenlandse of hoogstens regionale kwesties. Het beleid verschuift in de loop van de tijd steeds meer naar nationale en regionale veiligheidskwesties. Landen richten zich op het bereiken van doelen voor energie- en voedselzekerheid binnen hun eigen regio ten koste van bredere ontwikkeling. Investeringen in onderwijs en technologische ontwikkeling nemen af. De economische ontwikkeling verloopt traag, de consumptie is materiaal-intensief en de ongelijkheid blijft bestaan of verergert in de loop van de tijd. De bevolkingsgroei is laag in geïndustrialiseerde en hoog in ontwikkelingslanden. Een lage internationale prioriteit voor het aanpakken van milieuproblemen leidt in sommige regio's tot een sterke achteruitgang van het milieu.

SSP4. Ongelijkheid - “A Road Divided” (Lage uitdagingen voor mitigatie, hoge uitdagingen voor aanpassing)

Zeer ongelijke investeringen in menselijk kapitaal, gecombineerd met toenemende ongelijkheid in economische kansen en politieke macht, leiden tot toenemende ongelijkheid en stratificatie, zowel tussen als binnen landen. Na verloop van tijd wordt de kloof groter tussen een internationaal verbonden samenleving die bijdraagt aan kennis- en kapitaalintensieve sectoren van de wereldeconomie, en een gefragmenteerde ‘periferie’, een verzameling van samenlevingen met lagere inkomens en een laag opleidingsniveau die werken in een arbeidsintensieve, laagtechnologische economie. De sociale cohesie verslechtert en conflicten en onrust komen steeds vaker voor. De technologische ontwikkeling is hoog in de high-tech economie en aanverwante sectoren. De wereldwijd verbonden energiesector diversificeert, met investeringen in zowel koolstofintensieve brandstoffen zoals steenkool en onconventionele olie, maar ook koolstofarme energiebronnen. Het milieubeleid richt zich op lokale kwesties in gebieden met een midden- en hoog inkomen.

SSP5. Ontwikkeling op basis van fossiele brandstoffen - "'Taking the Highway'" (Hoge uitdagingen voor mitigatie, lage uitdagingen voor adaptatie)

Deze wereld vertrouwt steeds meer op concurrerende markten, innovatie en participerende samenlevingen om snelle technologische vooruitgang en de ontwikkeling van menselijk kapitaal te produceren als de weg naar duurzame ontwikkeling. Wereldwijde markten zijn steeds meer geïntegreerd. Er wordt ook veel geïnvesteerd in gezondheid, onderwijs en instellingen om het menselijk en sociaal kapitaal te vergroten. Tegelijkertijd gaat de drang naar economische en sociale ontwikkeling gepaard met de exploitatie van overvloedige fossiele brandstoffen en het overnemen van grondstof- en energie-intensieve levensstijlen over de hele wereld. Al deze factoren leiden tot een snelle groei van de wereldeconomie, terwijl de wereldbevolking piekt en afneemt in de 21e eeuw. Lokale milieuproblemen zoals luchtvervuiling worden met succes aangepakt. Er is vertrouwen in het vermogen om sociale en ecologische systemen effectief te beheren, indien nodig ook door middel van geo-engineering.

Het rapport (IPCC AR6) benadrukt dat bij een verdere stijging van de gemiddelde temperatuur ook de extremen zullen toenemen, zowel wat betreft hitte als neerslag als orkanen. Voor elke graad opwarming kan er 7% meer neerslag vallen. Gebeurtenissen die nu slechts eens in de 50 jaar voorkomen, zullen in een wereld die 2 °C warmer is, al bijna 14 keer meer kans hebben om voor te komen, dus eens in de paar jaar.

“Het klimaatsysteem zal steeds ingrijpender veranderen naarmate de opwarming verder toeneemt. Extremen zullen nog extremer worden en we zullen meer ijsmassa verliezen,” waarschuwen de onderzoekers. Deze veranderingen hebben verstrekkende gevolgen voor ecosystemen, menselijke veiligheid en economische stabiliteit wereldwijd.

Het rapport (IPCC AR6[3]) benadrukt dat bepaalde processen onomkeerbaar zijn op de langere termijn, met name in de traag reagerende componenten van ons klimaatsysteem, zoals de ijsmassa’s, de oceanen en de zeespiegelstijging. Volgens projecties van het IPCC is er een aanzienlijke kans dat er in de komende decennia al een jaar zal zijn met een ijsvrije Noordpool, en dat dit steeds vaker zal gebeuren naarmate de opwarming doorzet.

De onzekerheden in lange-termijnvoorspellingen zijn echter groot, voornamelijk door de complexiteit van omslagpunten in het klimaatsysteem, zoals het afsmelten van de Antarctische ijskap, het afsterven van het Amazone regenwoud, het smelten van de permafrost of veranderingen in oceaanstromingen. Omslagpunten kunnen plotselinge en onvoorspelbare veranderingen veroorzaken, waardoor de andere processen veel sneller en extremer zou kunnen verlopen dan momenteel wordt verwacht.

Bronnen:

Gevolgen van de verschillende IPCC scenario’s

De volgende animatie van Berkeley Earth vat de relatie tussen de concentratie kooldioxide in de atmosfeer en de temperatuur samen en laat projecties zien van de verschillende IPCC scenario’s.

Een interactieve pagina van Carbon Brief[1] laat de gevolgen van de verschillende scenario’s voor de temperatuur zien. De gegevens zijn gebaseerd op het IPCC rapport van de AR6 Working Group III (WG3).

Bij een opwarming van 1,5 °C in 2050 met weinig of geen ‘overshoot’ zou de temperatuur aan het eind van deze eeuw op ongeveer +1,3 °C uitkomen. Daarvoor is het nodig dat de broeikasgas emissies vanaf nu onmiddellijk teruggedraaid worden en in 2100 op nul uitkomen. Dat ideale scenario gaan we waarschijnlijk niet halen.

Bron: Carbon Brief.[1] Creative Commons License BY-NC-ND 4.0

Een waarschijnlijker — maar nog steeds optimistisch — scenario waarin klimaatbeleid vanaf nu wordt versterkt en waarbij halverwege deze eeuw de emissies versneld afnemen, komt uit op een opwarming rond 1,75 °C.

Bron: Carbon Brief.[1] Creative Commons License BY-NC-ND 4.0

Wanneer de wereld, overheden en bedrijven, matig actie ondernemen — de situatie die we nu zien — kan de temperatuurstijging uitkomen op ongeveer 2,7 °C. Voor andere, meer of minder negatieve scenario’s kun je terecht op de pagina van Carbon Brief. Daar kun je ook kiezen voor 2050 als einddatum.

Bron: Carbon Brief.[1] Creative Commons License BY-NC-ND 4.0

Voortzetting van de huidige politiek — geen of nauwelijks klimaatactie — leidt tot een stijging van meer dan 3 °C. De situatie in de wereld op dit moment geeft weinig reden om te geloven dat deze politiek snel zal veranderen. Bovendien is er weinig reden voor optimisme dat de temperatuur zal dalen na een ‘overshoot’ die enkele tientallen jaren aanhoudt. Alleen een snelle en drastische beperking van emissies op de korte termijn is effectief om klimaatrisico’s te beperken.[2] [3]

Sommige onderzoekers beschouwen de verwachtingen van het IPCC als te pessimistisch. De meeste klimaatmodellen waarop het IPCC zich baseert, zouden te hoge temperaturen geven en de SSP3-7.0 en SSP5-8.5 scenario's zijn onwaarschijnlijk. Vermoedelijk speelt daarbij ook een rol dat de onzekerheden in de IPCC modellen tien jaar geleden groter waren dan nu.[4] [5] [6]

De CAT-thermometer geeft mogelijk meer realistische scenario’s dan het IPCC. Het RCP5-8.5 is weliswaar minder waarschijnlijk dan bv. RCP4.5 of RCP6, maar ook bij meer waarschijnlijke scenario’s moet de wereld rekening houden met rampen en een mate van maatschappelijke ontwrichting die zijn weerga niet kent. Ook moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat de antropogene koolstofemissies al bij ‘mildere’ temperatuurstijging onomkeerbare veranderingen (kantelpunten) veroorzaken die nu vaak als te pessimistisch worden afgeserveerd.

Bronnen: