Gevolgen voor de biosfeer

Uit Klimaatwiki

In een zin

Klimaatverandering verstoort de biosfeer door temperatuurstijging en extreem weer, wat leidt tot het vervroegen van seizoensgebonden processen, vernietiging van habitats, ontregeling van voedselwebben, onvoorspelbare omslagpunten, en gedwongen migratie van soorten.

Eenvoudig uitgelegd

Klimaatverandering verstoort de biosfeer door temperatuurstijging en extreem weer wat snelle veranderingen in leefgebieden veroorzaakt. Hogere temperaturen en weersveranderingen leiden tot (o.a.):

  • Vervroegen van seizoensgebonden processen, zoals bloei van planten en activiteit van insecten, waardoor cruciale interacties (bv. bestuiving) mislopen.
  • Extreme droogtes, overstromingen en bosbranden vernietigen habitats, zoals moerassen en bossen, waardoor soorten gedwongen worden te migreren.

Dit heeft verschillende gevolgen (o.a.):

  • Kettingreacties treden op, die het voedselweb ontregelen. Voorbeelden zijn het verdwijnen van rendiermossen op de toendra; koolmezen missen de rupsenpiek; kraamkamers in de oceanen (zie Gevolgen voor de oceanen) sterven af, zoals koraalriffen en mangrovebossen.
  • Onvoorspelbare omslagpunten, zoals savannevorming in het Amazonegebied, brengen het risico mee van massale CO2-uitstoot en biodiversiteitsverlies.
  • Dwang tot migratie van soorten, zoals vissen en plankton die naar koelere wateren migreren. Sommige habitats laten geen migratie toe zoals in gebergten en op de Noord- en Zuidpool.
De biosfeer in 2008. Kleuren geven de chlorophyl concentratie in de oceanen en de vegetatie-index op land aan. Bron: NASA.[1]

Gevolgen voor de biosfeer

De biosfeer is de zone van het leven op aarde. Het is het wereldwijde ecologische systeem dat alle levende wezens en hun onderlinge relaties omvat, inclusief hun interacties met onderdelen van de lithosfeer, cryosfeer, hydrosfeer en atmosfeer. De toename van CO2 in de atmosfeer en oceanen (zie Gevolgen voor de oceanen) en de stijging van de temperatuur heeft grote gevolgen voor de biosfeer. Samen met toenemende droogte of neerslag leidt dit tot een massa-extinctiegolf. Soorten sterven in een steeds sneller tempo uit.[2] Een inventarisatie in 2014[3] concludeerde dat de snelheid van uitsterven 1000 keer zo hoog is als het natuurlijke niveau.

Deze extinctiegolf is niet alleen het gevolg van klimaatverandering. Andere antropogene invloeden als vervuiling van water en bodem, jacht, habitatvernietiging spelen zeker zo’n belangrijke rol. Deze hebben vaak indirect een link met klimaatverandering

Uit een onderzoek in Science[4] blijkt dat we met grotere zekerheid kunnen verwachten dat stijgende temperaturen zullen leiden tot een toenemend aantal gevallen van uitsterven. Bij het hoogste emissiescenario zal zelfs bijna een derde van de soorten op aarde uitsterven, met name soorten uit bijzonder kwetsbare taxa of regio's.

Klimaatsverandering leidt ook tot het verschuiven van leefgebieden. Soorten verdwijnen uit gebieden die voor hen onleefbaar worden en vestigen zich in nieuwe gebieden. Slechts een klein deel van de soorten is in staat zo snel te reageren en hun leefgebied te verplaatsen. De meeste zijn niet mobiel genoeg en dreigen te verdwijnen.

Een rapport in 2025 van het Europees Milieuagentschap (EEA)[5] [6] geeft aan dat de Europese levenswijze in gevaar wordt gebracht door de aantasting van het milieu. EU-functionarissen waarschuwen tegen de afzwakking van groene regels.

Het EEA heeft verklaard dat het continent "belangrijke vooruitgang" heeft geboekt bij het terugdringen van de vervuiling die de opwarming van de aarde veroorzaakt. De voortdurende achteruitgang van de natuur en de verslechtering van het klimaat brengen echter de integriteit van de ecosystemen die de basis vormen van de economie in gevaar.

De zevende editie van het rapport, dat sinds 1995 om de vijf jaar wordt gepubliceerd, concludeert het volgende:

  • Een aanzienlijk deel van de beschermde habitats verkeert in slechte of zeer slechte staat, waarbij "niet-duurzame" consumptie- en productiepatronen leiden tot het verlies van vrije natuur.
  • De "koolstofput" van de EU is de afgelopen tien jaar met ongeveer 30% afgenomen, voornamelijk als gevolg van de impact van houtkap, bosbranden en insectenplagen op de bosbouw.
  • Ondanks vooruitgang in andere sectoren is er sinds 2005 nauwelijks verandering opgetreden in de uitstoot door vervoer en voedselproductie.
  • De lidstaten blijken niet in staat te zijn om zich tijdig aan te passen aan extreme weersomstandigheden, ondanks de toenemende risico's.
  • Waterstress treft nu al een op de drie Europeanen en deze situatie zal naar verwachting verslechteren in de context van de klimaatverandering.

    Bronnen:

Relatie met de opwarming

De snelle antropogene klimaatverandering heeft grote gevolgen voor de biosfeer.[1] Klimaatverandering leidt o.a. tot landdegradatie, erosie en woestijnvorming, uitdroging van moerassen.[2] De hogere temperaturen en deze gevolgen zorgen ervoor dat veel soorten op drift raken.

Soorten kunnen op verschillende manieren reageren op een veranderende omgeving. Als eerste kunnen ze zich aanpassen door middel van natuurlijke selectie (evolutie). Dit is echter een traag proces dat over generaties plaatsvindt. Veel soorten planten zich niet snel genoegd voort om zich te kunnen passen aan de verandering van het klimaat die nu plaatsvindt. Een andere respons is de verplaatsing van het leefgebied. Dat zien we nu al in veel soorten optreden. Landdieren in de Verenigde Staten zijn bijvoorbeeld gemiddeld 6,1 kilometer per decennium naar het noorden opgeschoven, terwijl zeefauna meer dan 27 kilometer per decennium opschuift.[3] In Europa hebben niet-migrerende vlindersoorten hun verspreidingsgebied de afgelopen eeuw 35-240 km noordwaarts verlegd.[4] [5]

Hetzelfde geldt voor vogels. In Europa hebben soorten hun geografische verspreidingsgebied aanzienlijk verschoven als gevolg van klimaatverandering. Uit een onderzoek naar 378 Europese vogelsoorten bleek dat hun verspreidingsgebied tussen 1985-1988 en 2013-2017 met een mediaan tempo van 2,4 km per jaar verschoof, met een mediaan totale verschuiving van 71 km in noordelijke richting. Deze verschuivingen varieerden echter sterk, afhankelijk van soortkenmerken en omgevingsfactoren.[6]

Soorten die zich onvoldoende aanpassen, dreigen te verdwijnen. Sommige soorten kunnen zich niet verplaatsen omdat ze te grote barrières tegenkomen. Een goed voorbeeld zijn de (vele) planten- en insectensoorten in het hooggebergte, die steeds verder de berg opkruipen, maar zich niet kunnen verplaatsen naar de bergketens die (veel) verder noordelijk liggen.Ook soorten die op de noord- en zuidpool leven kunnen slecht migreren.

Tegenover deze negatieve trends wordt soms gesteld dat er ook veel positiefs gebeurt. Neem bijvoorbeeld de toename van land doordat gletsjers zich terugtrekken en nieuwe bodems vrijkomen. Helaas wreekt zich hier de traagheid van ecologische processen. Het duurt lang voordat zich hier goede bodems kunnen vormen: er zit nog geen organische stof in de nieuwe bodem, er is geen bodemleven, er zijn geen plantenzaden. Bodemvorming duurt decennia; veel langer dan het tijdsbestek waarin andere biotopen degenereren. De soorten die als eerste verschijnen op de nieuwe bodems zijn wat ecologen ‘pioniersoorten’ noemen: soorten die vrijwel overal kunnen overleven en zich snel op nieuwe plekken kunnen vestigen.  

De impact van klimaatverandering geldt niet alleen voor soorten, maar ook voor hele ecosystemen. Moerassen in Zuid-Europa verdrogen en/of verzilten. Europese bossen worden in toenemende mate aangetast door droogte, bosbranden, stormen en plagen zoals de letterzetter. Dit tast bovendien het vermogen van het bos aan om koolstof vast te leggen en op te slaan, wat weer tot een verhoogde CO2 leidt – een positieve feedbackloop [link].

Klimaatverandering kan van invloed zijn op de beschikbaarheid en kwaliteit van voedsel en op het vermogen van boeren om bepaalde gewassen te verbouwen. Gewasopbrengsten nemen af in Zuid-Europa door langdurige droogte en bodemdegradatie. Bij klimaatgeïnduceerde waterschaarste treedt de landbouw vaak in directe competitie met natuur, waarbij de natuur (en daarmee de biodiversiteit) doorgaans aan het kortste eind trekt. Een goed voorbeeld is de verdroging van Spanje’s belangrijkste moerasgebied, de Coto Doñana.[7] Dit gebied valt van nature jaarlijks voor zo’n 95% droog in de zomer, maar 5% van de moerassen blijven permanent nat vanwege opstijgend grondwater. Helaas gebruikt de intensieve aardbeiteelt dit grondwater ook, en pompt vanwege de steeds drogere zomers meer en meer grondwater op, waardoor het moerasgebied volledig dreigt uit te drogen.

Noordelijke gebieden profiteren misschien van warmere temperaturen, maar kunnen de verliezen in het zuiden niet compenseren. Zo namen in 2023 en ‘24 het aantal steltkluten in Nederland toe (wat door een enkeling werd uitgelegd als teken dat het met de natuur zo slecht nog niet gesteld is). Echter, in diezelfde jaren nam deze soort in Spanje (waaronder Coto Doñana) juist enorm af als gevolg van de droogte. De Nederlandse toename was een schijntje bij de Spaanse verliezen.[8]

Klimaatverandering vergroot ook de verspreiding van invasieve soorten, die inheemse planten en dieren kunnen verdringen, ziekten kunnen introduceren en schade aan het milieu en de economie kunnen veroorzaken. De stijgende temperatuur van de oceaan zal er naar verwachting toe leiden dat invasieve vissoorten, zoals de tropische koraalduivel, langs de Atlantische kust naar het noorden trekken, waardoor inheemse soorten worden bedreigd.[9] (Zie Effecten op het zeeleven.)

Bronnen:

Wat merken we nu al?

Afname biodiversiteit en uitsterven

Uit nieuw wereldwijd onderzoek is gebleken dat bijna een kwart van de zoetwaterdieren, waaronder vissen, libelles, kikkers, garnalen en krabben, met uitsterven wordt bedreigd.[1] Deze organismen hebben te lijden onder menselijke activiteiten zoals vervuiling, dammen en verschuivingen in het gebruik van landbouwgrond. Onderzoekers bekeken 23.496 soorten zoetwaterdieren en ontdekten dat 24% met uitsterven wordt bedreigd. Zoet water beslaat slechts 1% van de planeet, maar is goed voor 10% van de bekende soorten.

De nieuwste 'rode lijst' van de Internationale Unie voor het behoud van de natuur (IUCN)[2] wijst op drie soorten Noordpoolzeehonden die door de opwarming van de aarde met uitsterven worden bedreigd, terwijl meer dan de helft van de vogelsoorten wereldwijd in aantal achteruitgaat. Zes soorten worden als uitgestorven beschouwd, waaronder twee Australische bandicoots (grotendeels nachtactieve omnivore buideldieren). Er zijn enkele successen op het gebied van natuurbehoud – groene zeeschildpadden (Chelonia mydas) zijn van 'bedreigd' naar 'minst bedreigd' gegaan – maar over het algemeen geeft de rode lijst aan dat er iets ernstig mis is.

Klimaatverandering heeft een groot effect op de mondiale biodiversiteit. Door veranderende vegetatiepatronen migreren zuidelijke soorten naar het noorden (en omgekeerd op het Zuidelijk Halfrond) – zie Relatie met de opwarming. Sommige ecosystemen dreigen zelfs helemaal te verdwijnen, zoals koraalriffen en het tropisch regenwoud in de Amazone (twee van de klimaat omslagpunten: Biodiversiteit en Regenwouden).

Naast uitsterving en andere verspreiding van soorten zijn er nog andere de effecten van klimaatverandering op biodiversiteit. Zo zijn er de afgelopen jaren door extreme droogte de grootste bosbranden in de Europese geschiedenis geweest (in Dadia, Noordoost Griekenland).[3]

Klimaatverandering en als gevolg daarvan het uitsterven (maar ook nieuw ontstaan) van soorten is iets van alle geologische tijden. Maar de huidige klimaatverandering gaat véél sneller dan eerdere veranderingen in het klimaat. Bovendien komt de klimaatverandering samen met een aantal andere problemen, zoals vervuiling en de versnippering van het leefgebied door verkeer en intensieve landbouw.

Veel veranderingen in biodiversiteit zijn niet zozeer het gevolg van een veranderde gemiddelde temperatuur of neerslag, maar van de weersextremen. Zo hebben in Nederland de perioden van extreme droogte in de afgelopen paar jaar, in combinatie met gewasbestrijdingsmiddelen en het stikstofprobleem voor een enorme afname aan vlinders gezorgd.[4]

Hoewel op mondiaal niveau klimaatverandering een desastreus effect heeft op de biodiversiteit, kan op lokaal niveau de biodiversiteit (tijdelijk) juist omhoog gaan. Dit effect kun je in Nederland ook zien. Hoewel er koudeminnende soorten verdwijnen uit Nederland, is de instroom van warmteminnende soorten groter. Dit heeft een paar oorzaken.

Allereerst duurt het verdwijnen van een soort meestal langer, omdat er meestal sprake is van meerdere populaties die gedurende vele jaren telkens wat kleiner worden, terwijl de vestiging van een soort vaak een plotseling en ook zichtbaarder fenomeen is. Daarnaast hebben de zuidelijke landen (afgezien van de woestijnen) een hogere biodiversiteit en is dus een grotere bron van soorten.

Tot slot, om het nog wat ingewikkelder te maken, kan een toename van een zeldzame of bedreigde soort in Nederland ook het directe gevolg zijn van het verdwijnen elders. Zo is slecht nieuws verpakt in goed nieuws. Het voorbeeld van de steltkluut hebben we al gegeven in het vorige hoofdstuk.  Een ander voorbeeld is de steppekiekendief. In 2018 was het groot nieuws toen voor het eerst een paar steppekiekendief (een centraal-Aziatische soort) broedde in Groningen. Deze soort neemt al een tijdje toe in West-Europa. Nader onderzoek toont aan dat het klimaatvluchtelingen zijn uit Zuid-Rusland en Kazachstan.

Bottom-line: klimaatverandering is een grote bedreiging voor de globale biodiversiteit, maar dat neemt niet weg dat er lokaal lichtpuntjes zijn. Maar ook die lichtpuntjes moet je kritisch bekijken: de winst op de ene plek kan het gevolg zijn van een tienvoudig verlies elders.        

Living Planet Index

Volgens het laatste Living Planet rapport[5] zijn de populaties van wilde dieren wereldwijd "gekelderd" met een gemiddelde van 73% in de afgelopen 50 jaar, meldt de Guardian.[6] Het voegt er echter aan toe dat de Living Planet Index "gewogen is ten gunste van gegevens uit Afrika en Latijns-Amerika" en dat de metriek kritiek te verduren heeft gekregen omdat het "mogelijk de achteruitgang van wilde dieren overschat".

De Living Planet Index (LPI) meet de gemiddelde afname in gemonitorde populaties van wilde dieren. De indexwaarde meet de verandering in de omvang van 31.821 populaties van 5.230 soorten ten opzichte van het jaar 1970 (d.w.z. 1970 = 100%). Bron: Our World in Data.[7]

Vox, die het rapport versloeg, schreef dat we leven in een tijd van diepgaand biodiversiteitsverlies" en dat "het berekenen van een enkel cijfer om al dit verlies te omvatten niet eenvoudig is".[8] Tegelijkertijd noemden wetenschappers die niet betrokken waren bij het rapport de meetgegevens "misleidend", voegde het verhaal eraan toe. Een ZSL-wetenschapper die door Vox werd geciteerd, zei dat "het ook mogelijk is dat de [Living Planet Index] de omvang van de achteruitgang onderschat". Our World In Data publiceerde een gids om de index te begrijpen en "wat het wel en niet betekent".[7] Ondanks bovengenoemde kritiekpunten blijft de Living Planet Index een nuttig instrument aangezien het duidelijk is dat de biodiversiteit wereldwijd sterk afneemt.

Bronnen:

Regenwouden

Tropische regenwouden verdwijnen in hoog tempo door houtkap, bosbranden en uitbreiding van landbouwareaal.

Deze animatie van Google Earth laat zien hoe sinds 1984 de helft van het wereldwijde bosareaal is verdwenen. Our Forests | Timelapse in Google Earth.

Het Amazonegebied fungeert ternauwernood nog als koolstofput, waarbij de koolstofwinst groter is dan het verlies. Het Amazonegebied verliest koolstof aan de atmosfeer door ontbossing, houtkap, door mensen veroorzaakte branden en natuurlijke verstoringen zoals de aanleg van wegen. Aan de andere kant neemt het koolstof op door bosregeneratie en oerbossen die koolstof in de atmosfeer blijven vastleggen. Tussen 2013 en 2022 is er 64,7 miljoen ton bovengrondse koolstof bijgekomen.[1]

Gebieden met veel koolstofwinst en -verlies in het Amazonegebied tussen 2013 en 2022. Bron: Monitoring of the Andes Amazon Program (MAAP).[1]

Deze winst is eigenlijk vrij klein in het grote geheel der dingen en vertegenwoordigt slechts een toename van 0,1% van de 56,8 miljard ton bovengrondse koolstof in het Amazonegebied. Dit geeft aanleiding tot bezorgdheid dat het Amazonegebied de komende jaren zou kunnen veranderen in een koolstofbron, waarbij het verlies aan koolstof groter is dan de toename, als gevolg van toenemende ontbossing, aantasting en bosbranden.

Dit laat zien hoe belangrijk het is om zowel primaire als secundaire bossen te beschermen, vooral in het licht van de aanhoudende ontbossing. Bovendien laat het zien dat primaire bossen koolstof kunnen blijven accumuleren als ze met rust worden gelaten.

Bronnen:

Natuurbranden

Veel ecosystemen, met name prairie, savanne, chaparral en naaldbossen, zijn geëvolueerd met vuur als een essentiële bijdrage aan de vitaliteit en vernieuwing van habitats. Er bestaan zelfs zogeheten pyrofyten; plantensoorten die vuur nodig hebben  om te kiemen.[1]

Echter, als gevolg van de antropogene opwarming neemt de frequentie en omvang van natuurbranden toe. Ecosystemen die tot dan toe aangepast waren aan regelmatig terugkerende branden, kunnen zich minder goed aanpassen aan deze verandering. De schadelijke gevolgen zijn groter dan de positieve effecten en strekken zich uit tot andere onderdelen van het aardsysteem.

Een publicatie in Nature constateert dat in 2023 in Canada 15 miljoen hectare bos is afgebrand, meer dan een verdubbeling van het vorige record.[2] Deze bosbranden veroorzaakten een recordaantal evacuaties, ongekende gevolgen voor de luchtkwaliteit in Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten en een aanzienlijke druk op de brandbestrijding. Met behulp van klimaatmodellen laten de auteurs zien dat door klimaatverandering de kans op herhaling in het grootste deel van Canada aanzienlijk is, met een meer dan tweevoudige toename in het oosten en zuidwesten.

Natuurbranden hebben ook gevolgen voor de gezondheid van mensen in gebieden ver daar buiten. Oversterfte als gevolg van roet en fijnstof is in de afgelopen 60 jaar toegenomen van ruim 1% tot bijna 13%.[3]

Als de opwarming doorzet, zal de kans op extreme brandseizoenen in de toekomst naar verwachting verder toenemen, met desastreuze gevolgen voor de ecosystemen en onze samenleving.

Verspreiding en omvang van verbrande gebieden in Europa en het Middellandse Zeegebied17 in 2024. Gegevens: Europees Bosbrandinformatiesysteem (EFFIS). Credit: EFFIS/CEMS/C3S/ECMWF. Bron: Copernicus Climate Change Service (C3S) en Wereld Meteorologische Organisatie (WMO).[4]

Portugal

In de zomer van 2024 werd Portugal getroffen door hittegolven met temperaturen boven 40 °C. Als gevolg van de droogte braken er talloze bosbranden uit.[5] Meer dan 200.000 huizen zijn verloren gegaan.[6]

Uit nieuw onderzoek blijkt dat het landoppervlak in sommige gebieden die getroffen zijn door grote bosbranden tot 10 jaar na de branden een hogere opwarming ervaren.[7] Met behulp van satellietwaarnemingen en datasets van bosbranden uit de periode 2003-2016 blijkt uit het onderzoek dat de omvang van een brand de opwarming van het landoppervlak in gematigde en boreale bossen op het noordelijk halfrond “blijvend" versterkt.

Los Angeles

De dodelijke, verwoestende branden die wijken in het zuiden van Californië hebben geteisterd, zijn voorbeelden van stedelijke vuurstormen waarbij gebouwen zelf brandstof worden. Naarmate het klimaat verandert en zich uitbreidende steden, zullen dergelijke branden waarschijnlijk vaker voorkomen.

Eén factor die de intensiteit van de bosbranden in Los Angeles aanwakkerde was de ‘hydroklimaat whiplash’, een abrupte omschakeling tussen zeer natte en zeer droge omstandigheden die vaker zal voorkomen naarmate de aarde opwarmt.[8]

Een relatief natte winter werd gevolgd door een bijna record droogte, een uitgesteld nat seizoen en harde wind, creëerde de omstandigheden voor wat naar verwachting de duurste natuurbrand in de geschiedenis van de VS zal worden.[9]

Tropische bosbranden

In 2024 verloren tropische gebieden een record oppervlak aan bossen, waarvan bijna de helft door al dan niet opzettelijk aangestoken bosbranden.[10]

Niet-brandgerelateerde verliezen kunnen het gevolg zijn van mechanische ontginning voor landbouw en houtkap, maar ook van natuurlijke oorzaken zoals windschade en riviermeanders. Het voortschrijdend gemiddelde over drie jaar geeft wellicht een nauwkeuriger beeld van de trends in de gegevens, gezien de onzekerheid bij vergelijkingen tussen verschillende jaren. Dit cijfer is berekend op basis van een minimale boomkruindichtheid van 30 procent.[10]

In 2024 verloren de tropen een recordaantal van 6,7 miljoen hectare primair regenwoud. Dat is een gebied dat bijna zo groot is als Panama. Dit komt vooral door het enorme aantal branden, dat hoger is dan in elk ander jaar in de afgelopen twintig jaar.

Het blijkt dat in 2024 per minuut 18 voetbalvelden aan tropisch oerwoud verdween – bijna twee keer zoveel als in 2023. Dit zijn enkele van de belangrijkste bosecosystemen. Ze zijn van groot belang voor mensen, omdat ze koolstof opslaan, water leveren en dieren en planten beschermen. In 2024 veroorzaakte het verlies ervan alleen al 3,1 gigaton (Gt) aan broeikasgasemissies. Dit komt overeen met iets meer dan de jaarlijkse CO2-uitstoot van het gebruik van fossiele brandstoffen in India. [10]

Bronnen:

Wat staat ons deze eeuw te wachten?

Deze eeuw staat ons een drastische afname van biodiversiteit te wachten: bij een opwarming van 2 tot 4,3°C dreigen 5% tot 16% van de gewervelde diersoorten uit te sterven, met name in kwetsbare ecosystemen zoals kustgebieden, wetlands, tropische regenwouden en poolgebieden. Klimaatverandering, ontbossing, landbouw, vervuiling en stijgende zeespiegels versnellen deze crisis, terwijl koraalriffen, hooggebergten en endemische soorten extra risico lopen.

Daarnaast zullen natuurbranden—zoals bos- en veenbranden—vaker en intensiever voorkomen door droogte, hitte en dooiende permafrost, wat niet alleen ecosystemen vernietigt, maar ook koolstofputten aantast en extra broeikasgassen vrijlaat. Deze ontwikkelingen bedreigen niet alleen de natuur, maar ook menselijke gemeenschappen en economieën wereldwijd.

Biodiversiteit

Een opwarming van 2°C zal leiden tot het uitsterven van 5% van de gewervelde diersoorten, en tot 16% bij 4,3°C opwarming. Zelfs bij een opwarming van 1,5 tot 2°C zal het verspreidingsgebied van de meeste landgebonden soorten naar verwachting aanzienlijk krimpen, volgens een VN rapport.[1] De meest bedreigde terrestrische ecosystemen zijn kustecosystemen, wetlands en tropische regenwouden, wat ook de ecosystemen met de hoogste biodiversiteit zijn. Ook de polaire ecosystemen en de hooggebergten – de ecosystemen waar sneeuw en ijs gedurende het gehele jaar aanwezig zijn, worden bedreigd.

Ontwikkeling, stedenbouw, toerisme, landbouw en zeespiegelstijging vormen de grootste bedreigingen voor de kustecosystemen. Wetlands hebben te maken met verdroging als gevolg van klimaatverandering, vervuiling door landbouw en industrie en drooglegging voor de landbouw. Tropische regenwouden worden bedreigd door houtkap en door (al dan niet illegale) omzetting naar landbouw, waarbij soyateelt voor de vleesindustrie een belangrijke speler is.

Daarnaast is de afname van het regenwoud zelf een bedreiging voor het regenwoud. De neerslag en warmte zorgt, dankzij de grote hoeveelheid bladeren, voor een lokale hydrologishce cyclus: er verdampt veel water dat recht omhoog opstijgt en in de hogere luchtlagen tot wolkvorming en regen leidt. Door de overmatige kap verdwijnt het waterverdampende bladerdak, waardoor er minder wolken en regen ontstaan, waardoor de nog resterende vegetatie verdroogt, etc.: een vicueuze cirkel die een van de grote klimatologische omslagpunten is waar ecologen en klimaatwetenschappers voor vrezen.

In oceanen staan door de temperatuursverhoging, verzuring (als gevolg van klimaatverandering), vervuiling, destructieve visserij (dynamiet) en toerisme de koraalriffen zwaar onder druk. Geschat wordt dat in de loop van deze eeuw 70 tot 90 procent van alle koraalriffen zullen verdwijnen of in ernstig gevaar zullen verkeren. Koraalriffen zijn zeer rijk aan biodiversiteit, die daardoor sterk zal afnemen.[2]

Tot slot de polen en hooggebergten. Met name die laatste zijn klimatologische eilanden waar de flora en fauna, geïsoleerd van andere hooggebergtes, geëvolueerd zijn tot nieuwe soorten, die vaak maar een klein verspreidingsgebied hebben (de zogenaamde ‘endemische soorten’). Juist die soorten dreigen door klimaatverandering te verdwijnen, wat een grote klap is voor de mondiale biodiversiteit.  

Natuurbranden

Bosbranden en veenbranden nemen toe als gevolg van de antropogene klimaatverandering. De bosbranden vernietigen de koolstofputten (carbon sinks) die we hard nodig hebben om de emissie van broeikasgassen op te vangen.[3] [4]

Zuid-Amerika wordt warmer, droger en brandgevaarlijker. Het gebied ondervindt ernstige gevolgen van de klimaatverandering. Hoewel de opwarming van het subcontinent het mondiale pad op de voet volgt, is de temperatuurstijging in sommige regio's meer uitgesproken. In deze regio's is ook een gelijktijdige toename te zien van droogte en een verhoogd risico op branden in de regenwouden en moerassen.[5]

De vuurontwikkeling wordt bepaald door verschillende factoren (waaronder beschikbare brandstof, landbeheer en ontstekingsbronnen) en kan onder bepaalde weersomstandigheden zich oncontroleerbaar uitbreiden en een bedreiging vormen voor ecosystemen, mensenlevens en eigendommen. Het is te verwachten dat die omstandigheden in de toekomst vaker zullen voorkomen.

Enorme deels ondergrondse veenbranden hebben in de zomer van 2024 in het toendragebied van de noordpool gewoed, waarbij bijna net zoveel kooldioxide in de atmosfeer is gekomen als de oliestaat Koeweit jaarlijks uitstoot.[6] Door opwarming dooit de permanent bevroren ondergrond (permafrost, waarbij veel van het broeikasgas methaan vrijkomt) en kunnen ondergrondse branden ontstaan die haast niet te blussen zijn. Deze branden kunnen ontstaan op natuurlijke wijze als gevolg van blikseminslag. Soms verspreiden ze zich naar het zuiden, naar de ring van boreale bossen.

Bronnen: