Gevolgen voor de oceanen: verschil tussen versies

Uit Klimaatwiki
Geen bewerkingssamenvatting
Regel 15: Regel 15:


== Wat merken we nu al? ==
== Wat merken we nu al? ==
Begin januari 2025 publiceerde de Copernicus Climate Change Service (C3S) van de EU het rapport ''Global Climate Highlights 2024''. Over de oceanen schrijft het rapport:
Begin januari 2025 publiceerde de Copernicus Climate Change Service (C3S) van de EU het rapport ''Global Climate Highlights 2024''. Over de oceanen schrijft het rapport:<ref name=":1">[https://climate.copernicus.eu/global-climate-highlights-2024<nowiki>Global Climate Highlights 2024 | Copernicus]</nowiki></ref>


* De jaargemiddelde zeeoppervlaktetemperatuur (SST) boven de extrapolaire oceaan bereikte een recordhoogte van 20,87°C in 2024.
* De jaargemiddelde zeeoppervlakte temperatuur (SST) boven de extrapolaire oceaan bereikte een recordhoogte van 20,87°C in 2024.
* De extrapolaire SST bereikte recordhoogten voor de tijd van het jaar van januari tot juni 2024, na de reeks maandrecords die in mei 2023 begon. Van juli tot december 2024 was de SST de op één na warmste, na 2023.
* De extrapolaire SST bereikte recordhoogten voor de tijd van het jaar van januari tot juni 2024, na de reeks maandrecords die in mei 2023 begon. Van juli tot december 2024 was de SST de op één na warmste, na 2023.
* 2024 werd beïnvloed door de resteffecten van de sterke El Niño [link] gebeurtenis in 2023 en een overgang naar neutrale omstandigheden.
* 2024 werd beïnvloed door de resteffecten van de sterke [[Wat is klimaatverandering?#El Niño en La Niña|El Niño]] gebeurtenis in 2023 en een overgang naar neutrale omstandigheden.
* In de meeste oceaanbekkens werden hogere dan gemiddelde SST's gemeten, met recordwaarden in de Noord-Atlantische Oceaan, de westelijke Stille Oceaan en de Indische Oceaan.
* In de meeste oceaanbekkens werden hogere dan gemiddelde SST's gemeten, met recordwaarden in de Noord-Atlantische Oceaan, de westelijke Stille Oceaan en de Indische Oceaan.


''Vergelijking tussen de maandelijkse zeeoppervlakte temperatuur (SST) anomalieën voor de extrapolaire oceaan (60°S-60°NB; verticale as) en de maandelijkse SST anomalieën voor de Niño 3.4 regio (5°N-5°S, 170°-120°WL; horizontale as).Anomalieën zijn relatief ten opzichte van het gemiddelde voor de referentieperiode 1991-2020 voor de corresponderende maand.'' ''Gegevens:'' ''ERA5.'' ''Credit: C3S/ECMWF.''
[[Bestand:Record SST 2024.png|gecentreerd|miniatuur|500x500px|''Vergelijking tussen de maandelijkse zeeoppervlakte temperatuur (SST) anomalieën voor de extrapolaire oceaan (60°S-60°NB; verticale as) en de maandelijkse SST anomalieën voor de Niño 3.4 regio (5°N-5°S, 170°-120°WL; horizontale as).Anomalieën zijn relatief ten opzichte van het gemiddelde voor de referentieperiode 1991-2020 voor de corresponderende maand.'' ''Gegevens:'' ''ERA5.'' ''Credit: C3S/ECMWF.''<ref name=":1" />]]
 
De figuur laat duidelijk zien dat de hoge SST waarden in 2024 deels te verklaren zijn met het El Niño 2023-24 effect maar dat daaronder een signaal ligt van lange-termijn opwarming.
De figuur laat duidelijk zien dat de hoge SST waarden in 2024 deels te verklaren zijn met het El Niño 2023-24 effect maar dat daaronder een signaal ligt van lange-termijn opwarming.



Versie van 25 feb 2025 17:27

De zeespiegel is de afgelopen 140 jaar met ongeveer 23 centimeter gestegen. Dit komt door de opwarming van de aarde. De oceanen absorberen het grootste deel van de warmte die wordt vastgehouden door broeikasgassen die door mensen worden geproduceerd. In de afgelopen 40 jaar hebben de oceanen ongeveer 180 zettajoule (180 x 1021 Joule) aan warmte geabsorbeerd. Dit is een gigantische hoeveelheid energie: het jaarlijkse energieverbruik van de mensheid is ongeveer 0,5 ZJ; de energie om de temperatuur van de atmosfeer van de aarde met 1 °C te verhogen is ongeveer 2,2 ZJ. Al die warmte zorgt ervoor dat de oceanen uitzetten, waardoor de zeespiegel stijgt. Smeltwater van ijskappen en gletsjers versterkt deze zeespiegelstijging.

De stijging gaat in deze tijd in een versneld tempo: van 1,4 mm/jaar in de 20e eeuw tot 3,6 mm/jaar in de periode 2006-2015. In sommige kustgebieden heeft dat al geleid tot afkalven van duinen en het in zee verdwijnen van huizen. In landbouwgebieden vindt verzilting plaats. In vlakke landen als Nederland levert het problemen op met de waterafvoer van rivieren. Daarnaast ontstaan problemen voor dijken en andere waterkeringen.

Relatie met de opwarming

Er zijn drie hoofdoorzaken van de wereldgemiddelde zeespiegelstijging: (1) de oceaan zet uit door opwarming (thermische expansie); (2) er komt meer water in de oceanen door het verlies van ijs op het land; en (3) veranderingen in de hoeveelheid water (grondwater, meren) die op het land is opgeslagen.[1]

Waargenomen zeeniveau sinds het begin van de satelliet hoogtemetingen (met radar) in 1993 (zwarte lijn), plus onafhankelijke schattingen van de verschillende bijdragen aan de zeespiegelstijging: thermische uitzetting (rood) en wateraanvoer, voornamelijk door het smelten van gletsjers (blauw). Bij elkaar opgeteld (paarse lijn) komen deze afzonderlijke schattingen heel goed overeen met het waargenomen zeeniveau. Bron: NOAA Climate.gov.[2]

Het wereldgemiddelde zeeniveau is sinds 1880 met 21-24 centimeter gestegen. Het stijgende waterpeil is voornamelijk te wijten aan een combinatie van thermische uitzetting van zeewater door opwarming en smeltwater van gletsjers en ijskappen. In 2023 lag het wereldgemiddelde zeeniveau 101,4 millimeter boven het niveau van 1993, waarmee dit het hoogste jaargemiddelde was in de satellietwaarnemingen (1993-heden).

De zeespiegelstijging op een specifieke locatie kan door verschillende processen anders zijn dan het wereldgemiddelde. Dat kunnen veranderingen zijn in de oceaan in de buurt van die locatie, veranderingen in het zwaartekrachtsveld van de aarde door veranderingen in de opslag van ijs of water op het land, de verticale beweging van land, en veranderende windpatronen. De zeespiegelstijging door het smelten van de Groenlandse ijskap zal bijvoorbeeld weinig effect hebben op het Verenigd Koninkrijk en Nederland, maar elders weer meer. Dat ligt aan de ruimtelijke variatie van het zwaartekrachtsveld van de aarde.

Veranderingen in het zeeniveau sinds 1880. Bron: NOAA.[2]

Regionale verschillen ontstaan ook door natuurlijke variabiliteit in de windsterkte. In de trechter van de Noordzee bijvoorbeeld wordt het water in het kanaal opgestuwd. Oceaanstromingen beïnvloeden hoeveel en waar de diepere lagen van de oceaan warmte opslaan.

Bronnen:

Wat merken we nu al?

Begin januari 2025 publiceerde de Copernicus Climate Change Service (C3S) van de EU het rapport Global Climate Highlights 2024. Over de oceanen schrijft het rapport:[1]

  • De jaargemiddelde zeeoppervlakte temperatuur (SST) boven de extrapolaire oceaan bereikte een recordhoogte van 20,87°C in 2024.
  • De extrapolaire SST bereikte recordhoogten voor de tijd van het jaar van januari tot juni 2024, na de reeks maandrecords die in mei 2023 begon. Van juli tot december 2024 was de SST de op één na warmste, na 2023.
  • 2024 werd beïnvloed door de resteffecten van de sterke El Niño gebeurtenis in 2023 en een overgang naar neutrale omstandigheden.
  • In de meeste oceaanbekkens werden hogere dan gemiddelde SST's gemeten, met recordwaarden in de Noord-Atlantische Oceaan, de westelijke Stille Oceaan en de Indische Oceaan.
Vergelijking tussen de maandelijkse zeeoppervlakte temperatuur (SST) anomalieën voor de extrapolaire oceaan (60°S-60°NB; verticale as) en de maandelijkse SST anomalieën voor de Niño 3.4 regio (5°N-5°S, 170°-120°WL; horizontale as).Anomalieën zijn relatief ten opzichte van het gemiddelde voor de referentieperiode 1991-2020 voor de corresponderende maand. Gegevens: ERA5. Credit: C3S/ECMWF.[1]

De figuur laat duidelijk zien dat de hoge SST waarden in 2024 deels te verklaren zijn met het El Niño 2023-24 effect maar dat daaronder een signaal ligt van lange-termijn opwarming.

Deze time-lapse video van Google Earth laat zien hoe sinds 1984 op veel plaatsen in de wereld gletsjers zijn verdwenen en wat de consequenties daarvan zijn voor de zeespiegelstijging.

Oceaanverzuring

Zie ook: Tipping points — Oceaanverzuring.

Veranderingen van de CO2-concentratie in de atmosfeer (rood), partiële CO2-druk in de oceaan (groen) en pH van de oceaan (paars). De lichtgekleurde banden geven de jaarlijkse variabiliteit aan. De blauwe grafieken geven de afwijking van de gemiddelde temperatuur (1880-2018) van het land en de oceanen (streepjeslijn). Bron: Global linkages – a graphic look at the changing Arctic (rev.1). Grafiek: Philippe Rekacewicz.

Opgelost in water is CO2 van nature enigszins zuur. Door alle CO2 die als gevolg van menselijke activiteit in de oceanen terechtkomt, hoe zuurder oceanen worden (m.a.w. de pH-waarde van het zeewater neemt af). De toename van CO2 in de oceanen heeft ervoor gezorgd dat de gemiddelde zuurgraad van het oceaanoppervlak met 30 procent is gestegen sinds het begin van de industriële revolutie.

pH on total scale over time in surface waters

Deze kaart zou blauwe oceanen moeten laten zien. De pH-waarde van een gezonde oceaan is 8,2 en op veel plaatsen is de grens van 7,95-8,0 al overschreden, waar het omslagpunt ligt. In die oceaangebieden sterven plankton (dat de zuurstof produceert die je inademt), krabben, garnalen, schelpdieren en vissen met schubben in een alarmerend tempo uit omdat hun schelpen en uitwendige skeletten oplossen.

*7.3 Wat staat ons deze eeuw te wachten?

Het wereldgemiddelde zeeniveau (GMSL) is sinds 1900 ongeveer 21 cm gestegen, in een versnellend tempo. De GMSL bereikte zijn hoogste waarde ooit in 2023. De GMSL zal tegen 2100 waarschijnlijk 0,28-0,55 m gestegen zijnstijgen bij een scenario met zeer lage emissies (SSP1-1,9) en 0,63-1,02 m bij een scenario met zeer hoge emissies (SSP5-8,5) ten opzichte van het gemiddelde van 1995-2014. GMSL-simulaties die rekening houden met de mogelijkheid van een snelle desintegratie van de poolijskappen voorspellen een stijging tot 5 m tegen 2150.

Waargenomen stijging van het gemiddelde zeeniveau (GMSL) en projecties tot 2150 voor verschillende scenario’s van het IPCC. Bron: European Environment Agency.

(Zie Verdieping: ‘High-end’ schatting van zeespiegelstijging.)

Deze stijgingen zullen een grote impact hebben op kustgebieden en eilanden wereldwijd. Latijns-Amerika, het Caribisch gebied, de Stille Oceaan en kleine eilandstaten in ontwikkeling (SIDS) lopen voorop en zullen naar verwachting veel land en essentiële infrastructuur verliezen door permanente overstromingen. Honderden dichtbevolkte steden zullen worden blootgesteld aan een verhoogd overstromingsrisico als we op ons huidige emissiepad doorgaan.

De processen die leiden tot zeespiegelstijging zijn goed begrepen. Onzekerheid bestaat nog over de belangrijkste processen die de snelheid bepalen waarmee het ijs van de poolijskappen in de toekomst zal afnemen. Dat maakt het moeilijk om nauwkeurige voorspellingen te doen. Het is mogelijk dat de zeespiegel sterker zal stijgen dan in de waarschijnlijke projecties, maar op dit moment is nog onbekend hoe waarschijnlijk deze uitkomsten zijn.

Hoe meer de opwarming van de aarde toeneemt, hoe onzekerder de projecties worden. Als de opwarming groter is dan we deze eeuw verwachten, omdat de klimaatgevoeligheid hoog is of omdat we een pad van hoge emissies volgen, kunnen we drempels overschrijden die betekenen dat de evolutie van de ijskappen onomkeerbaar is.

Het meest ernstige scenario met de hoogste uitstoot is weliswaar het minst waarschijnlijk maar de gevolgen zijn dusdanig ernstig dat dit op alle mogelijke manieren moet worden vermeden.

Prognose van zeespiegelverandering door alle bronnen, inclusief verlies van ijskappen, verlies van berggletsjers en thermische expansie, onder het Representative Concentration Pathway (RCP) 8.5: het meest ernstige scenario met de hoogste uitstoot.

Verdieping: ‘High-end’ schatting van zeespiegelstijging

Een groep van 28 wetenschappers en deskundigen heeft een nieuwe schatting gepubliceerd voor de hoogst mogelijke stijging van de zeespiegel. Dit wordt de 'high-end' schatting genoemd. Dit is omdat het laat zien wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren, in plaats van wat het meest waarschijnlijk is. Deze schatting is vooral interessant voor belanghebbenden die plannen maken voor de lange termijn, voor degenen die betrokken zijn bij infrastructurele projecten met een lange levensduur of bij landgebruik aan de kust.

De nieuwe schattingen zijn gebaseerd op een veelheid aan bewijsmateriaal en fysische waarschijnlijkheid voor elke zeespiegelcomponent, inclusief de belangrijke bijdrage van de Antarctische ijskap. Deze aanpak leidt tot aanzienlijk lagere getallen dan die in het laatste IPPC-AR6 rapport wordt gebruikt voor sterke opwarmingsscenario's aan het eind van de eeuw: een verschil van ongeveer 30 cm lager vergeleken met de scenario's met hoge impact en lage waarschijnlijkheid van IPCC-AR6. De zeespiegel zal waarschijnlijk tussen 1,3 en 1,6 meter stijgen als er sprake is van een sterke opwarming tegen 2100.

Tegen het einde van de eeuw zouden grote Antarctische ijskappen kunnen instorten en zou ijs in zee stromen. Dit kan leiden tot een catastrofale zeespiegelstijging van 9 tot 10 meter tegen 2300 bij hetzelfde sterke opwarmingsscenario. Als we het Akkoord van Parijs nakomen, kunnen we de potentiële opwarming van de zeespiegel sterk beperken tot 2,2-2,5 meter, maar dat zal de zeespiegelstijging tot 2300 niet stoppen. We moeten dus voorbereid zijn om zowel de klimaatverandering aan te pakken als ons aan te passen in de kustgebieden. Zulke aanpassingen zijn mogelijk voor deze omvang van veranderingen gedurende vele eeuwen op veel plaatsen.

*7.4 Regionale verschillen

Europa

Ontwikkeling in het verleden en verwachte verandering van de relatieve zeespiegel in Europa.

In de toekomst zal de relatieve zeespiegelverandering langs het grootste deel van de Europese kustlijn naar verwachting redelijk vergelijkbaar zijn met het mondiale gemiddelde. De belangrijkste uitzonderingen zijn de noordelijke Oostzee en de noordelijke Noorse kusten, die een aanzienlijke stijging van het land kennen als gevolg van veranderingen in het zwaartekrachtsveld van de Groenlandse ijskap en postglaciale opheffing en veranderingen in het zwaartekrachtsveld van de Groenlandse ijskap. Dat laatste refereert aan een al millennia durend proces. Het landijs dat in Scandinavië lag gedurende de laatste ijstijd was zo zwaar dat het het land naar beneden drukte. Nadat de Scandinavische ijskap wegsmolt ‘ontspant’ de aardplaat hier en stijgt langzaam. Als gevolg daarvan trekt de zee zich hier langzaam terug. Deze relatieve zeespiegel bokst op tegen de zeespiegelstijging door klimaatverandering. Verwachting is dan ook dat zal de zeespiegel ten opzichte van land in deze regio's langzamer zal blijven stijgen dan elders, of zelfs dalen.

Nederland

Langs de Nederlandse kust begon de versnelling van de zeespiegelstijging zo’n 60 jaar geleden. Die versnelling hangt samen met een krachtiger windeffect als gevolg van het naar het noorden verschuiven en sterker worden van de jet streams.

De stand van de zeespiegel langs de Nederlandse kust sinds 1890. De waarde voor elk jaar is gebaseerd op ca. 262.000 metingen. De groene lijn laat de best passende trend zien.

De komende decennia zullen de gevolgen van de zeespiegelstijging door versterking en ophoging van dijken en waterkeringen binnen de perken blijven. In de volgende eeuw zal het punt bereikt worden dat we delen van Nederland moeten opgeven, als de uitstoot van broeikasgassen niet drastisch vermindert.

Nederland heeft sinds de Watersnoodramp van 1953 de Deltawerken aangelegd en talloze dijken versterkt. Bij verdere stijging van de zeespiegel kan die infrastructuur onvoldoende blijken om het westen van Nederland te beschermen. Meteorologen van de Universiteit Utrecht wijzen erop dat een langdurige, gecontroleerde evacuatie overwogen moet worden. De stijgende zeespiegel vormt een aanzienlijk risico voor het gebied en de bevolking, wat onvoorstelbare investeringen en werkzaamheden vereist om hen te beschermen.

Earth.Org heeft gemodelleerd hoe enkele van deze toekomstige extreme overstromingsscenario's in Amsterdam eruit zouden kunnen zien in 2100. Deze modellen benadrukken de urgentie van het ontwikkelen van duurzame en effectieve strategieën om de stad en haar bewoners te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering.

Zeespiegelstijging in 2100. Projecties van zeespiegelstijging in 2100 voor Amsterdam en omgeving voor twee scenario's. De hoeveelheid stijging is aangegeven in meters (mild = 2m; extreem = 4m). De verplaatsing van de bevolking is rechtsonder aangegeven.

Sceptici zeggen

“Het valt mee met de zeespiegelstijging. Als je oude foto’s van het Vrijheidsbeeld in New York vergelijkt met foto’s van nu zie je geen verschil in zeeniveau. En die paar centimeter zeespiegelstijging kunnen we wel aan.”

Een paar voorbeelden die klimaatsceptici aanvoeren om te bewijzen dat er geen of heel weinig zeespiegelstijging is geweest in de laatste 100 jaar.

Het argument dat foto's (bijvoorbeeld van het Vrijheidsbeeld) geen zichtbare verandering laten zien is onjuist. 20 cm in 100 jaar is op foto’s als deze niet te onderscheiden, maar het heeft wel significante gevolgen, vooral in overstromingsgevoelige gebieden.

Beweringen dat de zeespiegelstijging “geen onmiddellijk gevaar” oplevert, gaan voorbij aan de risico's voor kwetsbare gebieden. Bovendien suggereren de projecties, bevestigd door veel zorgvuldige studies, stijgende snelheden. Mogelijk zelfs stijgingen tot een meter tegen 2100 in scenario's met hoge emissies, veel hoger dan de historische gemiddelden.

  1. 1,0 1,1 [https://climate.copernicus.eu/global-climate-highlights-2024Global Climate Highlights 2024 | Copernicus]